Vorige Foto Beeld Tekst Tekening Nieuw Info Home Volgende

Terugkijken en de kunst van het genieten

Het begin van de herfst is een goede tijd om de balans op te maken. De grootste groei is voorbij. Zelfs het onkruid steekt minder snel de kop op. Alles in de tuin takelt gracieus af, op een enkele laatbloeier na. Over een paar weken nog een gouden finale en dan wordt het maandenlang uitkijken naar het begin van de opgaande lijn, de dagen die lengen en de zon die weer in kracht toeneemt.

Wat is er gelukt in de tuin? Welke plant slaagt met glans voor de volgende ronde of is gezakt met een diepe onvoldoende?

Gemakzucht
Laat ik vooropstellen dat ik zelf ook niet opperbest gepresteerd heb: het gat voor de vijver moet nog steeds gegraven worden, de boom die ik had willen planten staat er niet, en de blauwe regen heeft het weer een jaar zonder pergola moeten stellen. Zo gecontroleerd als ik in al het andere ben, zo gemakkelijk ben ik in mijn groene paradijs. Lukt het vandaag niet, dan een andere keer, volgend jaar desnoods. Zo boort de tuin onvermoede kwaliteiten in mij aan.
Een bijkomstigheid van die ‘gemakzucht’ is de experimenteerdrift die ik botvier zolang een deel van de tuin nog niet definitief zijn bekomst heeft. Ik zet gerust ‘eentjes’ om te kijken hoe een plant het doet en zaai dat wat in de catalogus een prachtige toekomst voorgespiegeld krijgt. Om vervolgens te constateren dat het allemaal wat minder rooskleurig uitpakt.

Blakers en stakers
Een voorbeeld: in het tuincentrum stond de Scabiosa ‘Butterfly Blue’ er dit jaar blakend bij. De plant herinnerde mij aan het wilde duifkruid dat ik op mijn wandeltochten door Frankrijk tegenkwam. Het kwijnen begon vanaf het moment dat het volle grond onder de voeten kreeg. Was de nostalgie niet sterk genoeg of was de naburige Escholzia californica wat te opdringerig? Er is een pol bladeren overgebleven. Misschien pakt het volgend jaar beter uit.

In Zuid-Frankrijk zag ik ook Leonotus leonurus, die je alleen al voor de dubbele alliteratie in je tuin zou willen proberen. Als de plant bloeit (ik verraad de clou al) denk dan aan de bloeiwijze van een Bergamotplant, maar dan in het oranje. Ondanks tijdig voorzaaien en uitplanten werd de plant alleen maar hoger dan twee meter. De bevalligheid van Leonotus leonurus ‘Staircase’ houdt het midden tussen een brandnetel en een stakerige zonnebloem. Stevige stelen, dat wel!

Atleten en aliens
Evenmin gebloeid heeft de Verbascum bombyciferum, maar dat geeft in dit geval geen zier. De grote grijzig behaarde bladrozet is op zichzelf al van een grote tactiele schoonheid, een ezelsoor ‘Big Ears’ in het kwadraat. Toorts is tweejarig en komt dus volgend jaar pas goed op gang met een stevige aarvormige bloeiwijze vol zwavelgele bloemen. Hoewel geel niet direct in mijn kleurenschema past (ach, wat kleurenschema!) heeft hij nu al het pleit gewonnen.

Nog zo’n architecturale tweejarige gigant is de inheemse kaardenbol, Dipsacus fullonum, die ik vorig jaar al gezaaid had. Het is een volkomen eigenzinnige plant. De platte bladrozet van het eerste jaar wordt vleziger, hoekiger en stekeliger in het tweede jaar. Bij mij groeide en vertakte hij tot een ‘kerstboom’ van 150 centimeter hoogte. Ondertussen verdronk hij talloze onschuldige insecten in zijn waterbekkenachtige bladoksels. In juni verschenen de eerste van de vele bloemaren. Die bloeiden vervolgens - heel bijzonder - van het midden uit naar onder en naar boven, in een paarsroze kleur. De aren werden pluizig als stekelvarkentjes waaraan eendendons was blijven hangen. Daarna begon de aftakeling en verkleurde de hele plant naar een strobruin staketsel.
Bij de minste aanraking schudde de plant zijn zaad uit. Het schijnt dat putters in de winter dol zijn op kaardenbollen. Ik vraag me af of er dán nog wat voor ze te halen is.
Wordt de Dipsacus een vaste kostganger? Jazeker, maar in mijn kleine stadstuin heb ik genoeg aan een zo’n aandachtstrekker in plaats van de drie die ik nu had ondergebracht.

Doordouwers en treuzelaars
Bij Rita van der Zalm bestel ik tweemaal per jaar de bloembollen. Geen postorderbedrijf dat zijn catalogus zo inspirerend en terzake kundig volschrijft, geen bollenverkoper die zijn waar zo ambachtelijk verpakt toestuurt in bruinpapieren zakjes met - het lijkt wel - handgetypte etiketjes. De Tropaeolum speciosum, die ik dit voorjaar bestelde, was geen bol, maar een wortelstok. Weer zo’n warme herinnering, aan mijn tuinreizen door Engeland ditmaal. Tropaeolum speciosum begint als een piepklein klimmertje dat zich langzaam omhoogtrekt aan zijn veel grotere, fijnvertakte buur, een taxushaag bijvoorbeeld. Op zekere hoogte wordt het blad wat brutaler en in de zomer verschijnen kleine vuurrode bloempjes, met de typische vorm van Oost-Indische kers.
Ik had er twee uitgezet om mijn ligusterhaag wat op te vrolijken en de derde – omdat ik er geen blijf mee wist - opgepot bij de blauwe regen. De potteling deed het aanvankelijk het beste en bloeide het eerst. Blijkbaar ging het in de hoogzomer mis met water geven en de potteling zeeg ineen om niet meer te bloeien. De plant op de meest onwaarschijnlijke plek bij de haag, kurkdroog en bijna volschaduw, klom dapper door en produceerde ook nog een paar bloempjes. Een kranig typje en daarom zeker een blijvertje. Als de plant het daar mee eens wil zijn…

Bij Rita bestelde ik ook Crocosmia ‘Emily MacKenzie’, waarover ik had nageplozen dat de Royal Horticultural Society die bekroond had met een Award of Garden Merit (AGM), zeg maar een brevet voor goed tuingedrag. Van de tien opgepotte bolletjes viel tot in juli geen levensteken te bespeuren, ondanks zorgzame watergift en ingehouden smeekbeden. Toen ik de boel al lang aan het verwaarlozen was verschenen, na een langere periode van nattigheid, de eerste groene puntjes boven de grond. Het is nu september en Emily bloeit in een vlammend oranje dat prachtig combineert met het bedachtzaam grijs van mijn Verbascum bombyciferum.

Zichtlijn
Twee jaar geleden, toen ik pas in dit rijtjeshuis woonde, keek ik vanuit mijn keukenraam nog langs een oude ligusterhaag, met rechts daarvan een grindtegelpad. Deze zichtlijn voerde het oog naar de tuinschuur, om dood te lopen op slecht metselwerk en achterstallig schildersonderhoud. Ik besloot een dwarshaag te zetten, ook liguster, om de allesoverheersende schuur te maskeren. Het tuinpad verschoof ik naar rechts, zodat een beplantingsstrook van 1,5 meter breed en 4 meter lang ontstond. Volgens de normen mag ik dat natuurlijk geen border noemen. Desondanks geniet ik dagelijks van het nieuwe uitzicht op mijn mengeling van vaste planten, (half)heesters en eenjarigen.

Officieren en marktkventers
Rodgersia pinnata 'Superba' In die ‘border’ staan ook een aantal vaste planten die zich al twee jaar hebben kunnen bewijzen en de proeve hebben doorstaan. Rodgersia pinnata ‘Superba’ heb ik uit Engeland meegebracht. Het handvormige, diep roodbronzen blad komt in het voorjaar zeer laat boven de grond. Maar dan schiet de plant ineens snel op hoogte en begint te bloeien met rode bloemtuilen op stevige rode stengels. De honderden stervormige bloempjes verkleuren langzaam naar bleekroze en de bladeren naar een neutraal groen. De Schout bij nacht met zijn tuilen blijft het hele jaar door statig. Tenminste als hij niet te lijden heeft van te schroeiende combinaties van zon en schrale wind, zoals afgelopen voorjaar.

Iris foetidissima, Stinkende lis, heeft wel bijna twee jaar nodig gehad om zich te bewijzen. De plant zou goed tegen droge schaduw kunnen. Vlakbij mijn ligusterhaag plantte ik twee grote pollen van het groenblijvende zwaardvormige blad. De ene pol, omringd door robuuste vaste planten, werd geel en heb ik dit jaar moeten rooien. De andere, vooraan en vlak bij mijn keukenraam, is na een jaar volop gaan bloeien. De kleur van de bloem kan zich niet echt meten met de weelderige baardirissen à la Monet, het is een vaag geelbruinblauw. Maar de bonus komt in het najaar als de zaaddozen drogen en zich openplooien: feloranje kraalvormige bessen in uitstaldoosjes.

Nummer 1
Waar eindig je als bijna alle punten zijn uitgedeeld? Bij een onderdeurtje dat een erepodium verdient: Tiarella wherryi. Ik gebruik Tiarella als wintergroene bodembedekker op de voorgrond. Het blad is lichtgroen en mooi van vorm. Tiarella bloeit van mei tot aan de winter. De pluimpjes zijn wit met een zweem van roze en talrijk in mei en juni. Schuimbloem echoot dan de sterrenbloemetjes van de Rodgersia. De geur is verfijnd maar sterk genoeg, zodat je er niet voor op je knieën hoeft. Ik knip de uitgebloeide pluimpjes af zodat er steeds nieuwe verschijnen. In juni lijkt het gedaan en wordt ook het blad een beetje moe. Ik kortwiek de hele plant tot aan de grond en strooi er wat gedroogde koemest of compost omheen. Het hele spel begint weer van voren af aan: fris blad en nieuwe bloemen. Die ‘truc’ herhaal ik na de winter, vlak voor de eerste groei valt waar te nemen, enzovoorts, enzovoorts.

Troost
Ochtendnevels en grijze dagen in het vooruitzicht. Nog een paar weken voor de laatste grote ronde: een laag compost als dek voor de winter. De nieuwe kanshebbers, de mogelijke hardlopers voor volgend jaar, zijn alweer geplant. Acaena microphylla, Stekelnootje, staat al vooraan om de zanderige hoekjes te mogen vullen. Van minuscuul blad naar groot: de alom geprezen Schoenlappersplant Bergenia ‘Eroïca’ heb ik na lang zoeken in Lennisheuvel gevonden. Het leek wel alsof ik de allerlaatste exemplaren bij Steven Hoekstra ophaalde. Dat klopt min of meer, want hij heeft zijn kwekerij er aan gegeven.
Gelukkig ligt de vertrouwde najaarscatalogus van Rita van der Zalm al weer voor me. “Genieten is vooruitzien”, is Rita’s motto. Daarin ligt ook mijn verlangen naar nieuwe ontdekkingen besloten. Heb ik nog een plekje voor Lilium martagon? Erythronium ‘Pagoda’ misschien?

 


Linktips voor deze pagina

Rita van der Zalm - Kwekerij van verwilderingsbollen
Rita en Frans van der Zalm begonnen in 1967 een bollenkwekerij bij Noordwijk. Voor- en najaar verschijnt er een lezenswaardige catalogus, waarmee het vooruitgenieten kan beginnen.

 

© Eric van Oevelen, 2005-2006
Laatst gewijzigd: 19-09-06 RSS-feeds Sitemap
Home